GESCHIEDENIS VAN DE REUZEN GOUFFRE VAN CABRESPINE
(de grot van Gaougnas)

In 2008 heeft men de veertigjarige ontdekking van de grot (of de reuzenput = gouffre géant) van Cabrespine gevierd, maar tegelijkertijd ook het feit dat de grot sinds 20 jaar geopend is voor het publiek.

Maar de geschiedenis van de grot is niet in deze twee data samen te vatten.

Sedert onheuglijke tijden is de geschiedenis van de "Gaougnas" nauw verbonden met de mensen van Clamoux; overblijfselen ontdekt in de eerste zalen van het onderaardse netwerk, getuigen van een lange periode van bezetting/bewoning van de plaats, die teruggaat tot het Bronzen tijdperk.

Hoewel de opgravingen van de rotsschuilplaats van Gaougnas niet altijd gedaan is op wetenschappelijk verantwoorde wijze, hebben we het wel hieraan te danken dat vele voorwerpen zijn opgegraven.

Serieus onderzoek, in grote lijnen begonnen in 1934 door de doctorandus Cannac en vervolgens voortgezet door Jean Guilaine gaven aanleiding tot vele ontdekkingen.

Minder ver in de tijd, zijn de eerste geschreven documenten uit 1570, die vertellen dat in de maand mei van dit jaar, de molenaars van Villeneuve Minervois en andere dorpen verderop gezamenlijk een deel van de wei kopen die ligt naast de plek genoemd “Gaougnas” met als doel de bedding van de Clamoux om te leiden en zo te voorkomen dat ze verdwijnen in de draaikolk waarmee het water verdwijnt in de ingang van de grot.

Pas onder Napoleon de Derde, wordt dit reusachtige gat, “Reboul” genoemd, gedicht om de aanleg van de huidige weg van Villeneuve naar Cabrespine mogelijk te maken.

Deze werkzaamheden hebben dus het bekende verdwijngat van de rivier dichtgestopt, maar deze heeft weer nieuwe openingen gevonden om toch weer in zijn ondergrondse bedding terecht te komen. Ten goede van de weg is ook de ingang van Gaougnas gedicht, en jarenlang wordt er niet meer gerept over de grot.

Pas in 1880 komt de grot weer boven in de herinnering van de mensen van Clamoux, doordat een tragisch ongeval zich voordoet: in dat jaar in de maand juni, maakt Baleste Pierre, inwoner van de gemeente, een dodenval in de Barrenc. Het is de veldwachter van het dorp die het beschadigde lichaam van de arme man weer naar boven haalt. Zo wordt hij ongewild de eerste speleoloog die deze diepe (150m) en ruime zaal met open dak betreedt. Uit diezelfde Barrenc kan men soms grote waterdampwolken zien opstijgen, ten teken dat de winter in aantocht is. Jaren later is de Barrenc getuige van een minder dramatische gebeurtenis: in 1927 keert een hond die in het gat is geworpen terug bij zijn baasje; hij was er via de Gaougnas-opening weer uit gekomen en heeft zo de verbinding tussen de twee holen aangetoond.

Het jaar daarop  veroorzaakt het constante aanvreten door het water een verzakking van het terrein aan de rand van de weg bij de ingang van het dorp; de heer Bordel, de toenmalige eigenaar van het terrein, laat de opening vergroten, onderzoekt enkele gangen en ontdekt de doorgang van de Gaougnas.

Het kost echter nog twintig jaar en het doorzettingsvermogen van een handvol speleologen voordat in 1959 een echte verbinding bestaat tussen de Gaougnas en de Barrenc. Hiervoor heeft men meer dan 2 maanden lang materiaal uit de grotten verwijderd om de doorgang vrij te maken.

Toen kwamen ook een paar meter ondergrondse rivier “boven water”.

Drie jaar later, in 1961, bevestigt een kleurtest van het water van de Clamoux, de legende die volgens welke de eenden die werden losgelaten in het grote gat “Reboul” weer levend tevoorschijn kwamen tegenover vier Kathaarse kastelen van Lastours. Vanaf dat moment is er een bewijs dat er een groots ondergronds netwerk bestaat tussen Lastours en Cabrespine. Tientallen tevergeefse expedities worden dan ondernomen in pogingen de doorgang te vinden tot dit zo begeerde netwerk. Maar men moest nog tot de zomer van 1968 geduld hebben; toen hebben twee speleologen, na veel geploeter, een doorgang weten te forceren tot de rivier, en kwamen ze vol verbazing en bewondering uit aan de voet van de zaal van de Gouffre géant (reuzenput).